Mr. dr. B. Breederveld[1]


 

In het zicht van de echtscheiding ...

 

FJR 2016/19

 

Sinds 2012 wordt de gemeenschap van goederen, waarin de echtgenoten zijn gehuwd, in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding, van rechtswege ontbonden door de indiening van het verzoek tot echtscheiding ( art. 1:99lid 1 sub b BW). Daarmee eindigen de gevolgen die de wet aan het bestaan van de huwelijksgemeenschap verbindt. Die gevolgen gaan uit van een (objectieve) lotsverbondenheid van de echtgenoten jegens elkaar. Voorheen werd die gemeenschap pas ontbonden op het tijdstip dat de echtscheidingsbeschikking werd ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Tot dat moment bleef dus de lotsverbondenheid bestaan. Het nieuwe ontbindingstijdstip is dus een hele verbetering, maar nog niet voldoende, omdat juist in het zicht van de echtscheiding de echtgenoten veelal niet vanuit de gezamenlijke lotsverbondenheid handelen maar vanuit enkel een eigen belang.

Zo kunnen echtgenoten op grond van de bestuursbevoegdheid ( art. 1:97 BW) een groot aantal van de tot de gemeenschap behorende goederen, zonder medewerking of instemming van de andere echtgenoot, vervreemden. Ook kan een echtgenoot gelden opnemen van een door hem/haar aangehouden bankrekening of gezamenlijke rekening. Met name het verloop van saldi van bankrekeningen leidt nogal eens tot discussie in het zicht van de echtscheiding. Tot nu toe lijkt de Hoge Raad vast te houden aan de regel dat echtgenoten in vermogensrechtelijke zin niet gehouden zijn tot het afleggen van rekening en verantwoording van het door hen gevoerde beheer over goederen van de huwelijksgemeenschap, ook niet in het zicht van de echtscheiding (HR 3 december 1971, NJ 1972/338 ). Wel bepaalt artikel 1:83 BW dat echtgenoten elkaar desgevraagd inlichtingen dienen te verschaffen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van hun goederen en schulden. Maar met deze bepaling is niet beoogd een verplichting in te voeren rekening en verantwoording af te leggen en de bestuursbevoegdheid in het zicht van de echtscheiding te beperken.

Alleen artikel 1:164 BW beperkt die bevoegdheid doordat bij verspilling of het lichtvaardig schulden maken in een periode van zes maanden voorafgaande aan ontbinding van de gemeenschap de daaruit voortvloeiende schade vergoed zal moeten worden aan de gemeenschap. Wat precies onder verspilling of lichtvaardig schulden maken moet worden verstaan is niet duidelijk en wordt in de rechtspraak op verschillende wijze ingevuld. Wel is de rechter daarbij steeds meer geneigd om toch een vorm van verantwoording te verlangen. De ene echtgenoot dient dan op zijn minst aan de andere echtgenoot verslag te kunnen doen van de mutaties in het vermogen van de huwelijksgemeenschap waarover hij het bestuur heeft gevoerd. Een onvoldoende verantwoording van de besteding of het bestuur kan er dan toe leiden dat met de desbetreffende verdwenen goederen toch rekening wordt gehouden. Daaruit blijkt dat in het zicht van de echtscheiding veelal een extra zorgvuldigheid van echtgenoten jegens elkaar wordt aanvaard. Artikel 1:164 BW houdt gelet op zijn beperkte strekking onvoldoende rekening met de omstandigheid dat ook op andere wijze de lotsverbondenheid in het zicht van de echtscheiding en soms ook al veel langer, kan ontbreken. Dit rechtvaardigt dat een echtgenoot ook in andere gevallen zich omtrent de behoorlijkheid van zijn handelen dient te verantwoorden tegenover de andere echtgenoot en dit niet beperkt dient te zijn in tijd. Een aanpassing van de beschermingsregel van artikel 1:164 BW is daarom wenselijk.

 


[1]Mr. dr. B. Breederveld is advocaat te Alkmaar, universitair docent privaatrecht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, raadsheer-plaatsvervanger in het Hof Den Haag en redacteur van FJR.